Napels door Hollandse ogen

Twee ervaringen, zestig jaar apart

In Zuid-Italië huilen de heiligen, zo zegt men hier. […] Wie ziet hoe honderdduizenden leven in dit onbegrijpelijke land beneden Rome, kan als gewone sterveling nauwelijks de ogen drooghouden. Geen wonder dus, dat de aanbeden martelaren, de mannen en vrouwen zónder zonden, van diepe droefheid wenen, wanneer zij zien hoe hun kinderen leven. ‘Hun kinderen’, ja, want al mogen er dan in Napels volgens de veel verkochte gidsjes louter dieven wonen, zij staan dichter bij de hemel dan wie ook in het westen. (Alings jr. 1958: 11)

Dit citaat komt uit het boek Napels, stad vol gevallen engelen van Wim Alings jr., geschreven in 1958. Het boek betreft een prachtig geschreven impressie van het leven in Napels eind jaren vijftig. Aan de hand van ontmoetingen met vrienden, buren en vreemden schetst Alings een beeld van een bruisende stad en haar inwoners. Het boek volgt hem gedurende een verblijf in Napels aan de hand van een twintigtal anekdotes, waarin vooral de armoede en het harde leven in de stad centraal staan, maar ook barmhartigheid een belangrijke rol vervult. 

Alings huurt een kamer in het huis van hospita Concettina en haar dochter Rosaria. Zijn anekdotes situeren zich zowel in- en rondom het huishouden van Concettina als op de straat. Hoewel Concettina in eerste instantie huiverig is om een vreemdeling in huis te halen, vertelt de schrijver dat zij daarover toch van gedachten verandert: ‘Uiteindelijk, met een ‘va buo’ gaf zij toe, wilde zij wel een bed afstaan, mits er twee weken werd vooruitbetaald. Daarna was zij een en al vriendelijkheid, want wie in Napels in huis wordt opgenomen is er werkelijk lid van de familie.’ (27) 

Als lezer worden we voorgesteld aan Gennarino, de verloofde van Rosaria, die later in het reisverslag opgepakt zal worden voor sigarettensmokkel. We ontmoetten Cumpá, de communistische timmerman op wiens werkplaats de schrijver vanuit zijn kamer uitkijkt en wiens haat jegens  de machthebbende Christendemocraten zo groot is dat hij ze – zo vertelt Alings – ‘nog niet eens aan een kist zou willen helpen omdat het hout daar te goed voor is’. (31) Ook maken we kennis met Don Mario en Pater Francesco, twee kennissen van Alings, die zich elk op hun eigen manier ontfermen over het lot van de allerarmsten uit de stad.

Zelf heb ik in 2016 een half jaar in Napels mogen wonen, zestig jaar na Alings’ bezoek. Wat hebben onze ervaringen met elkaar gemeen? Toen ik naar Napels vertrok was ik net 18, ik had een tussenjaar na het afronden van mijn VWO en besloot dat jaar te vullen met reizen – naar Italië, het land waar ik nog nooit eerder was geweest maar waarover ik wegdroomde alsof het leven daar wel móést zijn zoals in de klassiek Italiaanse zwart-witfilms waarbij ik mijn hele jeugd al wegsmolt. Ik zocht een baantje waar ik tegen kost en inwoning terecht kon en belandde als au pair in Napels zodat ik – achteraf ontzettend naïef – hét Italië kon ontdekken dat voor mij tot dan toe bestond uit beelden van de films uit mijn jeugd. 

Mijn ervaring in Napels was er een van haat en liefde, van bewondering en afschuw, van tegenstrijdigheden. Ik ontdekte er de allerbeste pizza’s die ik ooit heb gegeten, de prachtigste palazzo’s en de meest ontvankelijke en gepassioneerde mensen die ik in mijn jonge jaren heb ontmoet. Ik ontdekte er ook mijn eerste liefde – Camilla – en daarmee de afschuw voor homoseksualiteit en de bijkomstige discriminatie, die zeker in Zuid-Italië nog sterk aanwezig zijn en waarbij ik mij als Nederlandse tot dan toe niets had kunnen voorstellen.

In mijn tijd in Napels heb ik – net als Alings – vol bewondering rondgedwaald door de smalle straatjes, waar elke dag was hing te drogen, waar de houten luiken – afgebladderd door de hitte – altijd open stonden en van waaruit je vaak buren gepassioneerd de laatste roddels met elkaar zag delen. Die straatjes waren elke dag druk, gezellig en levendig, het typische Italië dat ik kende uit mijn geliefde films. Ook waren ze vervallen, vies en hectisch, een beeld dat ik na het kijken van de films niet had voorzien. Ze waren vol met straatverkopers, bedelaars, toeristen, rondhangende kinderen en afval. Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik meerdere keren bewoners afval uit hun raam op straat heb zien gooien alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Alings lijkt mijn ervaring hierin te delen, over een bezoek aan de wijk Forcella schrijft hij:

In de stegen hangt altijd een ondefinieerbare reuk, van de kazen en de vissen die er te drogen hangen waarschijnlijk. Er is het eeuwig gaan en komen van mensen. […] Dikke vrouwen en kinderen zitten er achter houten kratten, waarop Amerikaanse sigaretten te koop liggen, per stuk en per pakje. Op elke hoek bijna zit een blinde of een man die half verlamd is, met op de knieën een doos vol caramels die voor vijf lire te koop zijn. […] Men kan in de Forcella alles verkopen ook: kippen, een partij ballpoints, gesmokkelde aanstekers of een verlopen paspoort. Politie komt er zelden of nooit. Wanneer er onverwachts een razzia zou zijn, is een ieder vooraf gewaarschuwd. Omdat men met auto’s de volle straten niet kan inrijden. (75-77)

‘La vita é trop’, Piazza del Gesù nuovo, 2016. Foto: Lonneke Luijendijk.

Het gevoel dat mij het meest bijstaat aan mijn verblijf in de stad, is de verwondering over hoe zoveel schoonheid tot zoveel lelijkheid en viezigheid kan verworden. En hoe ondanks die lelijkheid en viezigheid, elke Napolitaan zo ontzettend veel trots kan uitdragen over zijn of haar stad. Zoals Wim Alings ook stelt in zijn boek: ‘Noem dat het wonder van Napels, het goud van Napels, de trots zelfs in de meest vervallen ellendigheid.’ (Alings jr. 1958: 19) 

De schrijver eindigt uiteindelijk het verhaal met zijn besluit de stad te verlaten, hij schrijft hierover: 

Voor wie hier niet werd geboren, niet in stoffige sloppen en stegen zijn eerste levensjaren sleet, kan Napels met zijn eeuwige tekort plotseling een teveel worden waaraan men vreest ten onder te gaan. […] de armoede van Napels schijnt voor altijd te zijn. De wisselende seizoenen zullen daar weinig of geen verandering in brengen. Wie op een met toeval gekozen dag vertrekt laat vrienden achter, weet nochtans zeer helder binnen zeer korte tijd vergeten te zijn, omdat men van heel dit leven geen daadwerkelijk deel heeft uitgemaakt, een vreemdeling bleef, zoals bij de aanvang gesteld. (Alings jr. 1958: 149-150)

Zestig jaar later – in 2016 – kwam ik tot eenzelfde conclusie toen ik besloot uit Napels te vertrekken. Hoewel de stad en haar inwoners mij – net als Alings – met open armen ontvingen, is het ook mij nooit gelukt me onderdeel te voelen van het leven in de stad. De dingen die ik er zag oogden voor mij als Nederlandse zo vreemd dat ik mij nooit anders heb kunnen voelen dan een bezoeker – een vreemdeling uit het Noorden die alles in zich opnam, die toekeek terwijl het leven in de stad maar doorraasde. ‘Het leven is er als een carrousel, zo zegt men van Napels. Men leeft er zo intens dat bij geen enkele gebeurtenis kan worden stilgestaan.’ (Alings jr. 1958: 51)


Bibliografie
Alings jr., Wim, Napels, stad vol gevallen engelen, Baarn 1958.