Een Italiaans sprookje in Nederland

De vrouwen Baccalare

Veel van de reisverslagen in de blogs op deze website vertellen de verhalen van Nederlanders in Italië. Leuk aan De vrouwen Baccalare is dat dit boek de situatie omdraait: in plaats van de ervaringen van Nederlanders in Italië, lezen we hier over de ervaringen van Giuseppina Bianchi – een jonge Italiaanse vrouw uit Florence die naar Nederland vertrekt. Hoewel Giuseppina slechts voor een beperkte periode zou werken voor een familie in Amsterdam, blijft ze daarentegen door een opeenstapeling van gebeurtenissen achter in Nederland, om daar vervolgens een leven op te moeten bouwen. Van Hoogstraten-Schoch vergelijkt het verhaal van Giuseppina’s leven met dat van een sprookje en opent het verhaal als volgt:

Toen we nog klein waren en gespannen naar sprookjes luisterden, hoorden we van prinsessen die door een toovenaar werden veranderd in dieren. Heelemaal niet gezellig vonden we dat en we waren niet tevreden, totdat het verhaal weer op zijn hoogtepunt was gekomen, en de arme betooverde was verlost uit haar moeilijken toestand en van nachtegaal weer prinses werd. […] Ik vraag me af of het levensverhaal van Giuseppina Bianchi soms iets anders was dan een sprookje van een prinses, die een metamorfose onderging; alleen liep het sprookje heel anders af dan alle andere. Het heeft dit alleen met de meeste gemeen, dat we het verhaal ook kunnen eindigen met den geliefden zin, dien we in onze kinderjaren zoo mooi vonden: ‘nadien leefden ze vele jaren samen gelukkig en tevreden.’ (Van Hoogstraten-Schoch 1935: 5-6)

De vergelijking van Giuseppina als sprookjesprinses in het verhaal over haar leven raakt de kern van het gevoel dat je als lezer bekruipt over de ervaring van de Italiaanse in Nederland. Het verhaal maakt duidelijk dat Giuseppina zich vooral erg vervreemd, alleen en opgesloten voelt in Nederland. Als een sprookjesprinses opgesloten in een toren lijkt Giuseppina gedurende haar 26 jaar in Nederland vooral te verlangen naar bevrijding – naar een terugkeer naar het zonnige Italië. Ze heeft hartverscheurende heimwee en kan dit met niemand delen. Hoewel haar man Jacob zielsveel van haar houdt is hij geen steun voor Giuseppina. Als nuchtere Zeeuw kent hij slechts het advies van zijn moeder, die over zaken van gevoel altijd stug zei: ‘Roer er niet in.’ Bang als hij is om zijn vrouw erger van streek te maken, vraagt hij daarom niet naar haar gevoelens.

De twee wonen in een donkere achterkamer van het hotel waar Jacob werkt, ze hebben drie kinderen en door haar rol als huisvrouw komt Giuseppina nauwelijks buiten. Ze begrijpt niets van de Nederlandse cultuur: de altijd rustige en stille mensen, de levenloze straten en vooral de vrees voor sentimentaliteit. Daarnaast voelt ze zich niet verbonden met haar oudste twee kinderen, die zo Nederlands zijn als het maar kan en niets snappen van hun ‘vreemde’ Italiaanse moeder. Giuseppina spendeert haar dagen teruggetrokken, dagdromend over het prachtige Italië, wetende dat haar man hier niets van zou begrijpen:

Stel je voor! dacht ze op eens verschrikt, als de remmen, die in elk mensch werken, eens geen dienst meer deden, net zooals in een auto kon gebeuren; als ze eens zoo maar op zekeren dag op den trein zou zitten zonder Jacopo. Het zou niet eens prettig zijn om met hem te gaan; je kunt Italië niet gaan bezoeken met Holland in je zak, je moet het kunnen beleven. Hij zou op de mooiste plekken geduldig en o zoo goedhartig zeggen: ‘Blijven we hier? Schieten we niet op? Is hier wat te zien? Kijken we den geheelen dag naar het water? Of naar dien berg of naar de sterren? Is er wat bijzonders aan die kerk? Vind je de menschen hier geen lilliputters? Ik steek ze allemaal in mijn zak…!’ (39)

De geboorte van hun derde kindje betekent een wending in de plot van het verhaal, in tegenstelling tot de oudere kinderen oogt dit kindje namelijk meer Italiaans dan Nederlands. Ze noemen haar Giulia. Giuseppina leert Giulia Italiaanse liedjes en vertelt haar eindeloos veel verhalen over haar thuisland. Giulia heeft – net als haar moeder – veel talent voor de schilderkunst en ondanks de protesten van haar vader, broer en zus begint zij aan de kunstacademie. 

Op een dag wint Giulia een tekenwedstrijd: ze mag drie maanden in Florence studeren. Giuseppina leeft helemaal op: ze bereidt Giulia voor op haar vertrek en verheugt zich erop om, door de ogen van haar dochter, een glimp op te vangen van het land waar zij zo naar verlangt. Als Giulia een paar weken later schrijft dat zij tijdens een ongeluk haar been heeft gebroken, is Giuseppina vastberaden naar Italië te vertrekken om haar dochter bij te staan. Ondanks de afkeuring van Jacob vertrekt ze naar Florence, haar kans grijpend om nog éénmaal het door haar zo geliefde land te kunnen zien. 

Net als na de metamorfose in een sprookje, is Giuseppina in Italië dolgelukkig: ze geniet van alle pracht die Florence eigen is, bezoekt musea en pakt haar oude liefde voor schilderen op. Moeder en dochter logeren bij Giuseppina’s zus – ook Giulia genaamd –, met wie Giuseppina eerder het contact was verloren. Hoewel zij eerst van plan was enkele weken naar Italië te gaan blijft zij uiteindelijk maanden weg. Van Jacob hoort zij intussen niets. Op een dag vertrekt zij naar het stadje Fiesole om daar, op de heuveltop tegenover de Santa Maria-kerk, te schilderen. Ze voelt plotseling iemand achter zich staan en draait zich om – het blijkt Jacob. 

Plein in Fiesole met de toren van de kathedraal en op de voorgrond een zuil met een kruis. Bron: (toegeschreven aan) Fratelli Alinari, ca. 1882 - ca. 1890, Rijksmuseum Amsterdam.

Jacob kwam naar Florence om Giuseppina te vragen terug naar huis te komen. Dat gebeurt echter niet voordat zij hem een stukje van Italië heeft kunnen laten zien. Het gemis van zijn vrouw heeft Jacob veranderd: hij belooft haar vanaf nu altijd te vragen naar wat er in haar omgaat, hij wil zijn vrouw nooit meer kwijtraken. Jacob belooft haar dat ze zullen sparen, zodat ze af en toe samen kunnen terugkeren naar Italië. Thuis verrast hij haar zelfs met een atelier dat hij voor haar heeft gemaakt zodat ze kan blijven schilderen. Na samen nog een aantal prachtige dagen verliefd te hebben doorgebracht in Florence keren ze terug naar Nederland. Giuseppina’s verhaal eindigt hier, en hoewel dit niet gebeurt met een geliefde ‘en ze leven nog lang en gelukkig’, doet het slot hier wel aan denken:

Nooit zag ze Italië weer, maar het was niet noodig: Italië was in haar hart, Italië was in haar herinnering, en samen hadden ze souvenirs, Jacopo en zij. Over den heuveltop te Fiesole, vlak tegenover het kerkje van Santa Maria, […] daar had Giuseppina Bianchi weer voor altoos Holland gekozen als haar land; daar had ze haar hand nog eens weer even beteekenisvol als op haar trouwdag gelegd in die van Jacopo Baccalare; daar had ze begrepen wat hij voor haar was, en met een blij hart was zé hem gevolgd naar het land, dat van nu voortaan beter dan tot nog toe het hare zou zijn. (88)


Bibliografie
Hoogstraten-Schoch, Amanda Augusta van, De vrouwen Baccalare, Amsterdam 1935.